Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l>2. Cnïcus Vaill.

1 Steugel evenals de bladen dun-wollig behaard. Bladen bochtig- tot vinspletig doomiggetand. Binnenste omwinduelbjaden met vindeelige, buitenste met enkelvoudige doornen, breed, bladachtjg. Bloemkroon b'eekgeel. 0,10-0,40. Q. April-Juli. Wel gekweekt en verwilderd (Wassenaar). Uit Z.-Europa.

Gezegende distel, f C. benedict ns L.

63. Lampsana Tm.

1 Bladen hoekig-getand, de onderste meestal liervormig-vindeelig, met zeer groote eindslip, de bovenste langwerpig-lancetvormig (fig. 1453). Hootdjes klein, armbloemig, los-pluimvormig. Bloeiiikroon bleekgeel. 0,30-1,20. 0. Juni—Augs, soms tot Herfst. Langs wegen, dijken, heggen, tusschen kreupelhout en op bebouwde en onbebouwde gronden. Algemeen . Akkerkool. L. communis L.

Van Lactura muralis door hot ontbreken van de haarkroon te onderscheiden.

Fig. 1454. Arnoseris pusilla. Fig. 1455. Cichorium Intybus.

a bloem; b vrucht. « omwindsel: b bloem hoofdje; c bloem;

'l meeldraden, uitgespreid; estyi; f vru htbodem met vruchtjes; g vrucht.

64- Arnóseris Gaertn.

1 Bladen in een roset, langwerpig-spatelvormig, ge/.aagd-getand (fig. 1454). Stengel met 1 hoofdje of met eenige 1-hoofdige takken,

Sluiten