Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 Mladen groot, zacht stekelig-getand, vaak bochtig of vinspletig, met bijna pijlvormigen voet (fig. 1472). Vruchten fijn dwarsgerimpeld. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-0,90, 0. Juni—Herfst. Op bouwland, in moestuinen en langs wegen. Algemeen.

Doorndistel. Zeugdistel. Zev fdissel. Motdissel. Mellewijt. Witte dissel. Motijzel. 11 el k distel. S. oleraceüs L.

Vormen:

«. i n t e g r i f ó 1 i u s W a 11 r. Bladen alle ongedeeld, lang-

werpig-orugckeerd-eirond. Vrij algemeen.

ƒ3. runcinitns Koch (,5. triangularis Wallr.) Bladen schaafsgewijs ingesneden. Zeer zeldzaam.

lacerus Wallr. Bladen vinspletig tot vindeelig met verlengde lancetvormige slippen en slechts weinig grootere eindslip. Zeer zeldzaam.

Bladen iets blauwgroen, stijver, met stekeliger tanden, met hartvormigen voet (fig. 14736). Vruchten niet dwars gerimpeld (fig. 1473a). Bloemkroon geel. 0,30-0,60. O- Juni—Herfst. Op bouwland, langs wegen en dijken. Volksnamen als de vorige. 11 u w e melkdistel.

S. asper All.

3 Bladen met hartvormigen voet en afgeronde aangedrukte oortjes (fig. 1474). Schermvormige tros los, met weinig hoofdjes, evenals de omwindsels geelachtig-klierachtijr-behaard, zelden kaal.

Hoofdjes omstreeks 0,05 in middellijn. Vluchten boven versmald, bruin. Bloemkroon goudgeel. 0,60-1,50. 2).. Juli—Herfst. Op bouw- en weiland. AlgemeeD. Zeugdisttl. Zeugijzel. Zongdistel.

Akkermelkdistel. S. arvénsis L.

Fig. 1472. Sonchus oleraceüs.

(i omwindsel: l> bloempje, by c zonder bloemkroon: d vrucht: / vrucht zonder liaarkroon, bi) y in doorsnede.

Sluiten