Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Pruisen in 1787, toen ze den Prins weer hersteld hadden als stadhouder. „Ezra," zoo luidt het daar, „zegt, dat eenmaal Israël juichte, zoodat de aarde spleet van het gejuich. Welnu, indien er toenmaals een splijting van de straatsteenen achter het stadhuis was mogelijk geweest, zou 't zekerlijk gebeurd zijn, want dergelijk gejuich heb ik van mijn ganschen leeftijd niet gehoord. Vooral, toen burgemeester Elzevier (de bekende Patriot uit de dagen van Kaat Mossel) op zijn beurt moest assisteeren bij 't aflezen van de prinselijke proclamatie, werd het geschreeuw van 't volk ontzettend."

De broederschap van 1795 maakt op onzen schrijver den indruk van die tusschen Kaïn en Abel; „want," zegt hij, „tusschen de Keezen en de Prinsgezinden was een volkomen haat en naderhand ook tusschen de Keezen onderling, daar de een den ander van het kussen schopte en ze zelfs elkander op het Huis ten Bosch zetten." — De vrijheid, die de Franschen heetten te brengen, lijkt hem een paskwil, o. a. om deze reden, dat aan de predikanten (d. z. natuurlijk de Ned. Gereformeerde) verboden wordt met mantel en bef op straat te loopen, en ook, omdat het luiden der klokken voor den godsdienst wordt afgeschaft.

Van Professor Hofstede, den bekenden Prinsgezinden dominé, spreekt hij meer dan eens, geheel zonder schimpscheuten of aanmerkingen, 't geen bij hem al een vrij groote waardeering beteekent.

Soms ook haalt hij stukken uit Hofstede's preeken aan, waaruit men zou opmaken, dat hij onder 't gehoor

Sluiten