Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleden, omstreeks '80 was de trek heel sterk, door de magneet der hoofdstad werden aangetrokken, behoorde ook ik.

De kleine stad waar ik geboren en getogen ben en studeerde voor mijn tegenwoordig ambt, is een van de mooist gelegen plaatsen van ons land. Alles wat iemand, wiens lievelingsstudie de natuur is, maar wenschen kan, was daar te vinden. Tien minuten van huis, was ik heelemaal buiten, waar ik naar hartelust kon wandelen en studeeren. Daar waren bosschen en parken; prachtige heuvelachtige heidevelden aan de overzijde van een groote rivier met veel belovende uiterwaarden; uitgestrekte lage venen, moerassige weiden vol orchideeën en kievitsbloemen, zandgrond en kleibodem met heel wat onbebouwde hoekjes; overal, tot uren ver in 't rond het rijkste natuurleven, dat we in ons land boven de Maas verwachten kunnen.

En toch, niet gedwongen, geheel uit vrijen wil en eigenlijk tegen den raad van ouderen en wijzeren in, liet ik al dat moois varen. In een groote stad moet ieder vlug vooruit komen die werken kan en wil, in een kleine is geen goede gelegenheid tot grondige studie en in 't geheel geen vooruitzicht; zoo praatte ik anderen na; en ik herinner mij nog levendig hoe ik hardop juichte, toen eindelijk na heel wat moeite, na teleurstelling op teleurstelling het bericht kwam, dat ik in Amsterdam in betrekking zou komen, in Amsterdam waar ik, alles saamgerekend, nog geen drie volle dagen had doorgebracht.

Met Mei moest ik mijn betrekking aanvaarden. Het was een laat voorjaar geweest, maar in 't eind van April kwam de lente opeens ons overstelpen. Vlinders en vogels, blaren en bloemen waren er vóór we 't hopen durfden; binnen een week was de aarde een geurende, een liefelijk galmende bloementuin. De dag van mijn vertrek was een van die zeld-

Sluiten