Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koperen dennen en zilverwitte berken; 't is ook niet de tint alleen van dat zachtbewegend berkeloof, ook niet de fijne kruinenlijn van toppen, die eindeloos golvend langs den bleeken hemel gaat; 't is de massa die het doet, de overstelpende macht van lichtend loof, die overal met volle kracht te voorschijn dringt uit nu nog zichtbare donkere twijgen, 't is het nieuwe leven, het jonge, teere, onbedorven schoone leven vol beloften, dat elk jaar op nieuw, al is 't maar enkele oogenblikken, ons jong doet zijn en eigen frissche jeugd met kracht te binnen brengt.

't Lijkt zoo oud en versleten, dat verheerlijken van de wisselende getijden, van Lente of Herfst, van Zomermorgen of berijpte Winterschoonheid; net zoo afgezaagd als lof op jeugd, of groenen ouderdom. En toch, wij zien nog altijd, altijd weer met innig welbehagen naar frissche kinderkopjes, blozend bij dartel spel als appels aan den boom, of fleurend bij 't ontwaken uit den slaap als half ontloken rozeknoppen; even goed als naar de grijsheid, die met fikschen veerkrachtigen stap een morgenwandeling doet. Dat zelfde wat in 't menschenleven ons zoo aantrekt, zoo aandoet vaak, het geluk van gezonde blijde jeugd en ongeschonden ouderdom, dat is het ook wat in de natuur, in voor- en najaar vooral, ons zoo diep kan treffen.

Ook de oude zon doet mee, om ons de illusie van jeugd op te dringen. Ze straalt zoo krachtig en kleurt alles zoo forsch, maar ze brandt noch schroeit; ze drijft haar licht door 't bleeke blad en witte bloemen heen, zonder ook het teerste spruitje te doen verleppen of te zengen. Ze spat vonken neer in 't gras: het worden bloemen; zonnevonken, wat anders zijn het, die duizend duizend paardebloemen, wat anders dan zonnetjes in 't klein? Ze strooit haar vuur op

Sluiten