Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergissing in 't spel was, werd aangetoond door de zorgvuldige kweeking van de aldus gevonden eieren; steeds ontwikkelde zich de eikenblad-galwesp uit de eieren en steeds had dezelfde wijze van galvorming plaats, zoodra de larve uit het ei was gekropen.

Waar biijven de eieren van deze galwesp van den winter tot in het voorjaar? Dat was en bleef de vraag tot in 1850 toe ongeveer. Toen ondekte Taschenberg, nadat Adler het spoor had gevonden, vlak tegen de stammen van oude eiken nieuwe galletjes van een vreemden vorm. Waar uit een toevallige knop een takje uit den stam te voorschijn kwam, soms ook bij een wond van den stam, vond hij een roodachtig behaard knopje van een paar millimeters lengte en met schubjes bezet; net een heusche bladknop. Deze schijnknop bleek de woning te zijn van een larfje, en dat larfje leverde een spiksplinternieuwe, d. w. z. tot nu toe onbekende wesp op. Het diertje leek veel op een gevleugelde mier; zijn achterlijf is dik en rond, de borst glanzend zwart en de pootjes rood. Het diertje werd naar den ontdekker Tasschenberg genoemd.

Er bleken mannetjes en wijfjes te zijn; de mannetjes onderscheiden zich door fijne puntjes op een deel van den rug, dat bij de wijfjes glad is. De levenswijze werd nauwkeurig nagegaan, en het bleek dat de wijfjes na de paring hun eitjes gingen deponeeren in een bladnerf aan de onderzijde van een eikeblad. Dat gebeurde steeds in Mei en . . . uit die eitjes van Taschenberg's nieuwe galwesp, afkomstig uit een schorsgal, ontstonden de gewone alom bekende galwesplarven, wonende in de bladgallen, algemeen eiken-galappeltjes of galnoten genoemd.

Het gaat dus zoo toe: De eiken-galwespen van de gal-

Sluiten