Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ik hem leerde kennen was hij hopeloos arm, maar hij schilderde geweldige dingen. Hij besefte dat hij flink, groot werk kon doen, maar tot mij zeide hij : „Hoe kunt ge kleinigheden zoo fijn en los weergeven?". Van „Het meisje met den vlieger" zeide hij: „Niemand hier zou zoo iets kunnen." Van het begin tot het einde konden we het verwonderlijk goed samen vinden. Hij was zulk een reus, dat ik naast hem slechts een pigmee was.

Men noemde hem een brombeer. Hij mengde zich nooit in de gesprekken van anderen. De wereld had hem slecht behandeld en daar kwam hij nooit heelemaal over heen. Hij wilde mij slechts eenmaal aan een teekening helpen. Zijn raad was altijd: „Huilt, ge moet werken!" Ik dacht dat ik hard werkte, maar hij hield mij voor een lummelaar.

Millet, Barye en Corot maakten tegelij-

Sluiten