Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE TOONEEL.

De vorigen, Von Schmettau, Schlecker, Von Gersdorf, Kuppisch, Neumann, twee knechts.

(Zy komen van links-voor op.)

Arnold.

(Hy is hen tegemoet geloopen en spreekt de volgende woorden met gebaren, alsof hy hen aan Berger voorstelt.)

Ziet u, dominé, dit is mynheer de Graaf Von Schmettau, eerbiedwaardig zilverwit de haren. Dit is de mynheer, die op een leeftyd, waarop weldra daarboven de rekening van zyn leven zal worden nagezien, uitrekent, dat 5 maal 19, verminderd met wat er op betaald is, 320 wordt... En dit is Schlecker, de schout, die de rekensommetjes van dien ouden man

(Hy wyst op Von Schmettau.)

begrypt. Dit is Schlecker, myn vroegere advocaat,

(Hy reikt Schlecker spottend de hand, en deze neemt bedeesd de hand aan.)

die, toen hy myn advocaat was, voor het geld, dat ik hem betaalde, my in alles gelyk gaf, en die, nu hy schout is, voor het geld, dat hy van my neemt, my in alles ongelyk geeft... En die daar, dat is mynheer de Graaf Von Gersdorf, landraad en ridderschapsbaljuw, eigenaar van de karpervyvers en dief van myn molen ...

(Von Gersdorf trekt de schouders op.)

En die daar, die held met dien langen baard, een heldenbaard, of hy alleen de Franzosen by Rossbach wel verslaan kon, dat is Kuppisch, de schynkooper, de strooman van Von Gersdorf.

Sluiten