Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

600 daalder aan mynheer Schlecker geven. Mynheer Schlecker betaalt daaruit v^on Schmettau, betaalt daaruit zich zelf, en kykt dan of er nog wat overblyft voor Arnold. Kuppisch heeft het geld op zak. Niet waar, Kuppisch? Laat maar eens zien.

(Kuppisch laat het geld zien. Von Schmettau en Schlecker kyken begeerig er naar. Het volgende zegt Von Gersdorf spottend.)

En voor Arnold heb ik een veel beteren raad dan minnelyk schikken. Hy heeft al eenige malen aan den Koning gerequestreerd. Daar moet hy mee doorgaan. Want de Koning helpt de armen tegen de ryken, zegt Arnold. Niet waar, Arnold? De vorige rekesten waren blykbaar niet goed. Hy moet zich toeleggen op het schryven van rekesten. En die stukken moet hy er by doen.

(Hy wyst op de stukken, die op de handkar liggen.)

Hy moet die stukken niet weer in zyn boezeroen steken, maar ze naar den Koning sturen. Vindt je ook niet, Schlecker? Dat is de goeie weg.

Arnold.

(Hy heeft zich staan te bedwingen.)

Het past u wel, mynheer de Landraad en Ridderschapsbaljuw, te lachen om den Koning. Als hy hier stond, zoudt u wel anders handelen. Maar nu hy er niet is, nu zeg ik u: lach niet om den Koning I

Berger.

Arnold heeft gelyk, mynheer I Het past u niet, te lachen over het vragen van recht aan den Koning.

Von Gersdorf.

Waar bemoeit u zich toch aldoor mee, dominé? Wat

Sluiten