Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nereerde menschen, waartusschen zich een jonge, ongehuwde vrouw beweegt, die alleen meer echte menschelijkheid bezit dan al die anderen samen, die in eenvoudige humaniteit hoog uitsteekt boven al die kwazihooge, maar inderdaad laag-verworden kunst- en letterlievenden om haar heen. Ik kan dan het talent van dpn schrijver bewonderen in zijn psychologische uitbeelding van dien Vincent, welke geheel verklaart zijn wording uit de personen van wie hij afstamt, den kring, waarin hij opgroeit...

Maar — als daar plotseling in mij opleeft het bewustzijn, dat met dien Vincent en met al die anderen, die fel bespot of in kleine menschelijkheid belachelijk gemaakt worden, personen zijn bedoeld die leven en waarvan de schrijver gezorgd heeft door enkele doorzichtige toespelingen of zijdclingsche aanduidingen, dat we precies weten wie hij bedoelt, dan kan ik het boek in den versten hoek van mijn kamer keilen, zóó haat ik het dan. Dan vind ik dit werk de slechte daad van een knap artiest, een daad waarvoor hij zich schamen moet èn tegenover degenen die hij zoo dacht te treffen, èn tegenover de kunst, die hij op deze wijze misbruikt èn vooral tegenover zich zeiven...

W. G. VAN NOUHUIS.

(De Amsterdammer, TVeekblad voor Nederland,

no. 1114, Zondag 30 Oct. 1898, blz. 4.)

Hoog mooi zijn... de geheele teekening van Luzac, den Graecus, klein dwingelandje in eigenhuis, van Esther, en dan het keurig geschreven negende hoofdstuk van het tweede deel als Esther in avondschemering voor het open raam zit en peinst; krachtig het volgende, waar Vincent zijn onmacht om te schrijven gevoelt. DE WITT.

(De Telegraaf, 24 Sept. 1893.)

Sluiten