Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Heijden; eerst na den afloop keerde hij terug en veel heeft hij door dat verblijf op Borneo geleerd. Vooreerst, dat men den Inlandschen vijand nooit te gering mag schatten. Het hoofd met zijn volgelingen houdt zich op in een sterkte, benting genaamd. In zulk een benting bevinden zich onderaardsche gangen, die geheel en al bomvrij zijn, terwijl rondom de benting een heining is geplaatst van palissaden. Ongeveer \ el daarbuiten bevindt zich een tweede heining; daarenboven treft men meestal nog een derden heining aan, weder \ el van de tweede verwijderd. Geen wonder dus, dat een klein aantal verdedigers het lang kan uithouden, omdat zij zorgen een grooten voorraad munitie en levensmiddelen in de benting op te hoopen. Houdt men nu nog in het oog, dat zulk een benting meestal op den top van een berg of bergje ligt en daartoe zoo mogelijk een steile berg wordt uitgekozen, dan ligt het voor de hand, dat zoo'n sterkte hoogst moeielijk te nemen is. Is het beklimmen van een berg altijd lastig, in een klimaat als op Borneo heerscht wordt die moeielijkheid nog vergroot, en dan moeten de beklimmers nog wapens, waaronder ook kanonnen, medenemen. Uit dit alles volgt dat er in dien strijd op Borneo weinig of geen sprake kon zijn van groote %'eldslagen, maar des te meer van afmattende tochten, dikwijls door bijna onbegaanbare streken, zoodat het niet zelden

Sluiten