Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst als de laatste strijders naar den wal gebracht werden, zou de bevelhebber medegaan.

Niemand sprak een woord; van de kijkers werd een druk gebruik gemaakt en bij menig zwaartillende rees de vraag: „Zou het wezenlijk gelukken?"

Daar nadert de voorste rij sloepen de branding; op aller gelaat staat angst te lezen. Eensklaps klinkt een angstkreet, de tweede rij sloepen is omhuld met een wolk van schuim en van de eerste meenen sommigen de booten omgekeerd op het water te zien drijven. Tersluiks zien allen den bevelhebber aan. Wat zou deze op dit oogenblik wel denken? Zou hij nu van de onmogelijkheid overtuigd zijn? Dat kon wel niet anders, meende ieder, maar niemand had den moed hem iets te vragen.

Op Van der Heijden's gelaat was niets te lezen. Hoe het ook stormde in zijn hoofd, hoe zijn bloed ook kookte, bedaard en kalm als altijd stond hij op het dek.

Daar kwamen de gezagvoerders der omringende schepen aan boord van de „Metalen Kruis" en voegden zich bij den staf. Een hunner waagt het, den bevelhebber te wijzen op het ongeluk, dat nu reeds heeft plaats gegrepen en op de onmogelijkheid, gemeenschap te onderhouden tusschen den wal en de schepen. En zonder die gemeenschap was voortrukken en strijden in het vijandelijke land

Sluiten