Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar trad Toekoe Moeda Nja Malim binnen, begeleid door den Adsistent-Resident der Oostkust en gevolgd door de tien personen, die met hem den tocht gedaan hadden. Naar hun gebruik droegen allen hun wapens bedekt, alleen de twee klewangs waren zichtbaar. Daar stond de oude man, een rijzige, flinke figuur, het hoofd omlijst door lange, zilveren lokken, de oogen vol vuur, maar ook vol sluwheid.

De armen gekruist over de borst, sprak hij met heldere stem den vertegenwoordiger van het Nederlandsch gezag toe. Hij verklaarde zijn verzet te betreuren, hij — maar hij had dien morgen te veel doorleefd, al was het maar in gedachten, om kalm te kunnen blijven. Zijn stem werd bijna onhoorbaar, hij wierp zich op de knieën, kroop vooruit onder het uitstamelen van het woord ampon en bij den bevelhebber gekomen, kuste hij diens hand en reikte hem zijn kris over.

Dat had Van der Heijden niet verwacht; nog nooit had hij een hoofd der Atjehers zoo klein gezien en van dezen vijand had hij dat wel het minst gedacht. Men kon zien, dat het voorgevallene op allen een diepen indruk maakte, op Van der Heijden niet het minst.

Alle toorn tegen dezen vijand, die zelfs meer dan eens zijn toevlucht tot sluipmoord had genomen en

Sluiten