Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geliefde doode tusschen een dubbele rij invaliden door. Zoo brachten dezen hun geliefden Commandant, met wien zij zooveel aangename jaren te Bronbeek hadden doorgebracht, wien zij zooveel te danken hadden, hun laatste saluut. En menig oog, dat op Atjeh en andere Oost-Indische gevechtsterreinen zoo onverschrokken het gevaar had tegemoetgezien, werd nu verduisterd door een traan, niet geschreid omdat het zoo behoorde, maar wezenlijk

„Een traan, die opwelt in hun oogen".

Ja, allen gevoelden het: de man, die voor immer hen verliet, had hun steeds een goed hart toegedragen! Zeker, op het slagveld kon hij bevelen als weinigen voor of na hem, en elk bevel moest voor ieder een wet zijn! Maar — na den slag, en ook hier op het rustige Bronbeek was zoo duidelijk, ja bijna iederen dag gebleken, hoe hij met en voor minderen kon gevoelen, hoe geen moeite hem te groot was, als er iets voor de brave oudjes in orde moest gebracht worden. O, het was velen, of zij hun Vader grafwaarts zagen dragen!

Onder de tonen van Beethoven's doodenmarsch ging de stoet langzaam verder.

Intusschen had zich in het wachtlokaal op Moscowa een groot aantal officieren van alle wapens vereenigd, waaronder men er velen zag, die in onze OostIndische Bezittingen eer en roem verworven hadden.

Sluiten