Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

placht namelijk de laatste jaren feijn manuscript op smalle reepen te schrijven, die aaneen te plakken en dan, voordat hij de zoo lange strook opvouwde en insloot om te verzenden, uit te meten. Zóo of zóóveel meters maakten zóóveel vel uit, wist hij. Dat was gemakkelijk voor hém. En de zetter kon dan van het smalle manuscript stukken afknippen naar believen. Dat was gemakkelijk voor den zetter. Men ziet, dat hij ook in kleinigheden origineel kon zijn.

Hij noemde zich gaarne goed, en toch behaagde 't hem weieens, voor slecht door te gaan, ook uit hekel aan „braafhedens". Daar had hij een broertje aan dood.

Toen hij eens ('n paar jaar na 't verschijnen van den „Max Havelaar") in den trein zat, ving hij (ook om zijn protégée naast hem, //Mina", die hij voor wanhoop had behoed, wat op te vroolijken) met een hem onbekenden heer (zonder zich te noemen) over zichzelf aan. Deze had o zoo veel verfoeielijks van hem gehoord, en D. van zichzelf nog meer, o.a., dat hij ,/op 't oogenblik met een juffrouw op reis" was, — tot bij het uitstappen; toen gaf hij hem zijn kaartje.

Ja, hij was een schalk.

In '74 stierf Tine te Venetië, na veel getob. — Haar trouwe vriendin gaf haar dit grafschrift:

EVERDINE H. DOUWES DEKKER,

décédée le 13 Sept. 1874.

Son souvenir vit dans le cceur de ceux qui 1'ont aimée.

Toen de tijding kwam, dat zij gestorven was, zeide hij: „Is de arme tobster dood!... 'k Wou dat ik het was".

(Van „wanhopig verdriet" heb ik echter niets bemerkt.)

Sluiten