Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mainz, dat hij op 't laatst van zijn leven wel schoot, wanneer „reisende Handwerksburschen" of dergelijken, zijn eenzaam huis te Nieder-Ingelheim naderden; wat men daar te Ingelheim gevaarlijk had gevonden. De man, die 't verteld had, had gezegd: ,,'t Is maar goed, dat hij dood is."

Wat daarvan aan was, weet ik natuurlijk niet.

Tine was de incarnatie van zijn zeggen: „Een vrouw is niets."

De rol die zij, wat zijn liefden betrof, gespeeld heeft, is eigenlijk weerzin wekkend en slaafsch, maar natuurlijk meer aan dressuur toe te schrijven, dan wel aan liefde voor hem. Zij moest teel, zij, en ook later Mimi.

Beide vrouwen heeft hij opgehemeld (en ik zal de laatste zijn, te zeggen, dat ze 't niet verdienden!) doch haar er niet naar behandeld.

Gelijk hij Mimi over Tine schreef: „Je kan geen te hoog idee van haar hebben", schreef hij later over Mimi hetzelfde.

Toen ik Tine voor het eerst zag, knielde ze bij me; wat geen goede indruk op mij maakte. Ze had iets soumis, en was vriendelijk, vleiend op commando, zooals haar opvolgster naderhand ook.

Zij had niets van „een voorname dame" — waarom ze ook eens voor een kennis-reizigster werd aangezien.

De jonge dames, waarmee hij in kennis kwam, schreef hij ongeveer: „Als je het thuis niet kan uithouden, kom dan maar bij Everdine". — En al die meisjes wenschte hij „een kindje" toe. Die bestellingen bleven gelukkig uit. Alleen „Charlotte" kreeg bij Tine te Brussel een faussecouche. Ja, 't was nog gelukkig, dat zijn vriendinnen er afkwamen met wat teleurstelling en offers aan geld.

3

Sluiten