Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor mij stortte Mimi vaak liaar hart uit, bij mij zocht zij dikwijls troost. Doch na zijn dood heeft ze me slechts enkele woorden geschreven — zij, die toch o. a. eens (uit Wiesbaden naar Keulen) schreef, „heel veel" van me te houden, toen ik mijnerzijds niets meer van mij liet hooren.

Zoo zachtzinnig mogelijk placht ik gelijk te geven haar of hem, wie naar mijn overtuiging gelijk had. Al heb ik nooit mijn zelfstandigheid noch eigen oordeel verzaakt, uit zekere consideraties behandelde ik hem doorgaans als kraakporselein. Doch „dresseeren" kon hij mij niet.

Dikwijls was het pijnlijk, als hij boos op haar was, er getuige van te zijn. „Marie is zacht", zei hij dan wel; wat er de zaak niet beter op maakte.

Gestadige omgang met hem, had meer van een hel dan van een hemel. En de ziel die hem altijd kon liefhebben, wat hij ook zeide ot' deed, die ziel kon zelf niet rein zijn.

Evenwel kwam ik in Den Haag en vooral te Wiesbaden jarenlang haast dagelijks met hem samen, en heb ik hem vijf-en-twintig jaren gekend, zonder dat de goede verstandhouding op den duur werd verbroken. En tot zijn eer zij 't gezegd: hij placht de eerste te zijn, die na een brouillerie (welke bij hem niet kon uitblijven), zich met mij verzoende, 't Gebeurde wel, dat hij mij, (ja ook Mimi, waarmee hij woonde) op de straat zonder groeten voorbij ging, maar ook, dat hij met open armen op mij toeliep, ter verzoening.

Ik vroeg Mimi eens, te Wiesbaden, of ze niet even een schaartje met twee punten voor me had. „Neen", zei ze. „Wat", viel Dekker in, „hebben we dat niet? Zeker hebben we er een met twee punten." — „Neen', hernam zij, „met één punt, de andere is rond, niet spits." „Wel groote god!" riep D. uit, „geef 't eens hier!" — En nu moest ik uit-

Sluiten