Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Den Haag kwam Dekker op een middag, om mij aan te treffen, bij Mina, met Mimi, die toen tijdelijk 'n paar gemeubileerde kamers in de Oude Molstraat bewoonde, terwijl hij in De Toelast logeerde. Daar ontdekte hij een kinderachtig boekje dat ik had geschreven. Ik wilde 't hem uit de hand trekken, maar fluks stak hij 't in zijn pantalon, tot gelach van de anderen en verlegenheid van mij; want daar kon ik het onmogelijk uithalen.

Daarop vroeg hij me, den avond bij hen door te te brengen. Ik antwoordde, dat de familie V. M. me verwachtte, en dat ik ook zoo'n hoofdpijn had. Maar hij drong er zoo

op aan, dat ik toch zou komen.

Nu, na de thee, terwijl hij met Mimi schaakte (ik ha< zoo'n hoofdpijn), drong hij weer op intimiteit aan. „Waarom niet?" — „k Heb zoo'n hoofdpijn", antwoordde ik maar, verlegen met de zaak, vooral om Mimi. „Dan gaat de hoofdpijn over." - Ik zweeg. - „Waarom toch niet?" herhaalde hij. - „Om Mimi." - „O", sprak zij, even verlegen als ik, „om mij hoef je 't niet te laten." - Doch neen! — al hield ik veel van hem, ja al had ik hem nog hartstochtelijk lief, en hoe vrijzinnig denkend ook op dit stuk, 't was me bij intuïtie, alsof ik 't oorspronkelijke gevoel voor hein zou ontheiligen, en ons alle drie vernederen.

Dat was ook natuur.

Jaren later, te Wiesbaden, toen we met ons drieën aan tafel zaten, zei Mimi op-eens tot hem: ,,'k wou dat je van Marie een kindje had, dat ik mocht opvoeden." — Dit verrassende, zonderlinge voorstel lachte mij niet toe.

Ook Hotz had eens gezegd: „Een kind van Dekker en Marie, dat zou origineel zijn."

O mijn god, des te meer had het geleden.

Sluiten