Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een vroeger garnizoen van „eene zwarte lijst van onrechtvaardig toegepaste straffen," qualificaties die, onbewezen als ze bleven, geen ander karakter hebben dan van praatjes die in de Kamer niet van pas zijn, omdat ze niet kunnen helpen het oordeel der leden over eene concrete quaestie te vormen. Immers, er is geene voldoende reden om er geloof aan te hechten. De tweede fout lag in de formuleering der vragen, die den minister de gelegenheid gaf de hoofdzaak onbesproken te laten, zoodat ten slotte de heele interpellatie de inkt niet waard was, waarmeê ze gedrukt is.

Er waren toch wel vragen te doen, die een antwoord zouden uitlokken, waarin de Kamer belang moest stellen. B. v.: „Is de rechtszekerheid van den militair genoegzaam gewaarborgd, als de straf die cassabel is, bij voorbaat wordt uitgevoerd, en reeds kan geboet zijn, eer hooger gezag het inzicht komt, dat zij verminderd of ingetrokken moet worden?" De korporaal, bij eindvonnis tot vier dagen veroordeeld, heeft vijf dagen provoost ondergaan. Dit is eene schennis, waarschijnlijk niet van de wet, maar van het recht, die bij een volk waarin rechtsgevoel leeft, zooals het Engelsche, niet onopgemerkt zou voorbijgaan. En ook onze Tweede Kamer, eens vierkant voor deze vraag gesteld, had haar onder de oogen moeten zien.

Of: „Is het de algemeene toepassing der militaire provooststraf, dat zij bij felle kou wordt ondergaan in een onverwarmd vertrek, zelfs indien zij acht dagen moet duren?" Ook dit is eene vraag die bespreking zou hebben uitgelokt, omdat de wetgever voor gevangenisstraf door den burgerlijken rechter uitgesproken, regelen heeft gesteld, die lichamelijke pijniging als toegift willen uitsluiten, en het zeker zijne bedoeling niet kan zijn dat nijpende kou de straf in de provoost komt verscherpen.

Of, een derde vraag: „Strookt het met de bedoelingen van het militaire bestuur, dat op een individu, wiens strafregister schoon is, dadelijk bij het eerste vergrijp zoo zware straf wordt toegepast?"

Sluiten