Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zijn nu een paar adviezen gekomen uit universitaire kringen Het eerste kwam den len April in „De Economist' en is onderteekend S„ een letter die zonder groot gevaar van vergissing is aan te vullen tot mr. C. A. Verrijn Stuart, den

wakkeren paladijn van mr. N. G. Pierson.

Deze auteur leidt een bezwaar tegen de inwilliging van het verzoek af uit den naam „socialistische economie", dien de aanvrager aan zijn vak gaf. Voorwaar, als de wateren der polemiek hoog gewassen zijn, vindt men zulk een spij er niet en waar dit verzet zijn uitgang koos, struikelt het al. Er is" zegt onze auteur, „in de wetenschap der staathuishoudkunde, wier taak het is de verschijnselen van het economisch leven oorzakelijk te verklaren, immers geen ruimte voor schakeeringen en nuances aan het gebied der politiek

ontleend". J . ...

En dan vraagt hij verder, wat met die woorden is bedoeld.

1 Economie in dienst van het socialisme?

2. Economie van socialistisch standpunt beschouwd?

3. Socialisme tout pur?

Het kan van den auteur eener dissertatie over R.cardo en Marx een werk door hem genoemd eene „dogmatisch-historische studie", tenauwernood eene vergissing geacht worden, zoo hij, zijne vragen inrichtende naar de antwoorden die hij geven wil, de ééne vergeet die hier te stellen is: of de tite van het vak ook kan aanduiden eene methode van onderzoek der verschijnselen van productie en consumtie die ernstig genoeg is verdedigd om, afgezien van de plaats die men te haren opzichte inneemt, als eene wetenschappelijke methode te mogen gelden. Terecht spreekt de heer Stuart op p. 6 van zijne dissertatie van „het modern wetenschappelijk collectivisme". Dat was in 1890, toen aanvallen van beteekenis op Marx' waardeleer al waren verschenen. Hij kon ze in zijn

dissertatie al citeeren. ...... . A

Waar is in die „socialistische economie" het politiek bestanddeel te vinden? Er komt een politiek uit voort, maar dat kan geen bezwaar zijn, want ook uit de leer die mr. Stuart be-

Sluiten