Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gemoed, geharnast in het fatsoen, ontwijken kunstmatig de mooie ontroering en aansporing die het ruwe en leelijke vermogen te geven. Zij ontwijken de realiteit en, alleen genot vindende in wat hun welbehagen streelt, ontgaan zij, beklemd in de meest onwezenlijke van alle ficties, een deugdelijke kans op oefening en verfijning.

Het fatsoen in den zin van „Het Centrum" is het voorwendsel van den onontwikkelde, den trage of den onwillige. Het verwijst de materieele en geestelijke ellende en de ruwheid die er blijk van geeft naar de philantropie en de zielszorg om er zich meê in te laten als de geneesheer met een stinkende wond, maar aan den ingang van huiskamer, tijdschrift, kunstzaal of komedie verbiedt het fatsoen den toegang aan de leelijke dingen. Daar luistert men enkel naar liefelijke tonen en wiegt men zichzelven en anderen in een mooiheidssoes die den waarheidszin verstompt en in het ergste geval uit loopt op de fausse pudeur waarvan het stukje in „Het Centrum" blijk geeft. De vorige week vond ik gelegenheid om te zeggen dat als het recht iets is, het wel de waarheid zal moeten zijn. Zoo is het ook met het fatsoen. Als het fatsoen werkelijk moet zijn het samenstel van gedragingen welke de uiterlijke en innerlijke waardigheid van den mensch bepalen, dan is dit plantje in den hof van „Het Centrum", wat de uiterlijkheid betreft, uit zijn kracht gegroeid, maar verschrompeld wat het hoogere, het innerlijke leven aangaat.

14 April 1900.

m ra OVER EEN ENTREFILETS. E2 m

IN het „Sociaal Weekblad" leest de heer Treub mij de les over het hier den 28en Juli verschenen artikel.*) Hij meent

*) „Een Professor aan 't werk" getiteld, en gewijd aan de door den heer Treub in het „Soc. Weekblad" gevoerde polemiek met „Het Volk", over „klassenstrijd" en „arbeiderspartij".

Sluiten