Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het trampraatje in stijl gebracht, en gekruid met grappen beter dan men ze veelal op de tram te hooren krijgt. De schrijver acht het buiten kijf, dat minstens de helft der stadsbestuurders zelf niet weten waaraan zij hun verkiezing te danken hebben. Behoudens enkele uitzonderingen genieten zij ook bij hun committenten weinig of geen vermaardheid. En dat in een stad zoo rijk aan waardevol intellectueel stofgoud. Er werd er een herkozen, waarvan werd gezegd: te onbeduidend om te bestrijden. Een ander over wien men geen goed woord te hooren krijgt. De goeden onttrekken zich aan de samenwerking met een zoo stumperigen raad. En dat ligt niet aan de democratische richting, zegt onze schrijver, want onder het beperkte kiesrecht waren de raadsleden ook dikwijls niet tegen hun taak opgewassen. Feitelijk zijn die vroegere aedilen geen oortje waard geweest. Ze richtten Den Haag in op plezier, niet op arbeid, maar op vertering en nering. De leegloopers uit de provincie, de Indische oud-gasten (O. noemt ze aequatoriale mastklimmers) moesten er gaarne wonen en er de leveranciers welgesteld maken.

Dat was het economisch inzicht. Maar de stad groeide, er kwamen andere behoeften. En toen? „Geen groot gemeentebelang of er werd meê getreuzeld en gesold". Ze meenden het wel echt, de stadsbestuurders, maar het waren stakkers, die de stad verknoeiden, en hun gansche taktiek was om van Den Haag een goedkoop herstellingsoord te maken. De vroede vaderen hadden niet cultuur-historisch leeren denken. Voor de stedetechniek hadden ze geen aandacht, 't Waren welmeenende stakkers. Geen enkele kruidenier, geen dominee zelfs was in hun midden. Maar de geest die hen bezielde, die blijkt thans van krenten en hemelwater doortrokken te zijn geweest.

Aan enkelen van versch bloed, die na de uitbreiding van het kiesrecht in den Raad kwamen, gaf men spoedig te kennen dat zij zich te schikken hadden naar de Haagsche traditie, welke ten allen tijde veel overeenkomst toonde met

Sluiten