Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich uit de massa kunnen opwerken, en de waarde van een Rembrandtfeest beoordeelen, hebben in dit soort feesten geen smaak. De burgerij maakt commissies en optochten om wat vertier in de stad te brengen en er een duit aan te verdienen. Men moet zoo bij zomertijd in Amsterdam eens wat hebben, anders blijft de schoorsteen niet rooken. Het „vreemdelingenverkeer" moet bevorderd worden: die menschen brengen geld in de stad. Alles goed en wel, dat ligt zoo in den gang der wereldsche zaken. Maar ... Rembrandt.

Gelukkig blijft er na het verdampen van den feestroes en na den katterigen nadag ernstig werk over, waaraan velen zich kunnen vergasten. Uitgaven van blijvende waarde zullen in latere dagen, als het andere vervaagd en vergeten is, een beteren indruk der herdenking geven. Men kent ze, de kranten hebben er ruimschoots mededeeling van gedaan. Bespreking zal in rustiger tijden meer waarde hebben dan thans, omdat ze dan los zullen staan van al het gedruisch waarin ze nu een eenigszins verlegen figuur moeten maken. Het zou toch een raar gezicht zijn, als iemand in den optocht met Veth's boek onder den arm liep.

Onder de uitgaven van waarde neemt het prentenalbum van Albert Hahn *) een goede plaats in. De caricaturist en de rijmer bij zijn prenten gooien een noot van harde waarheid in het mengelmoes dezer feesten, waar het beste wat kan gegeven worden, encanailleert met mondaine rarigheden en met het meest vulgaire wat de burgerlijke ziel en de burgerbeurs kan gedijen. Hij heeft het onderwerp niet uitgeput; zijn spot had verder kunnen en moeten reiken. Maar wat hij geeft zegt met al de kracht en den bijtenden spot van zijn treffend teekenen rake waarheden. Vooral de laatste prent: De opwekking van Rembrandt uit zijn graf. De schilder balt de vuist tegen zijn hooggehoede opwekkers, en de rijmer zegt:

Ay Neerland laat uw Rembrandt rusten,

Ay, wentel niet den zerksteen af:

Welzalig zijn de onbewusten Van wat zich afspeelt op hun graf!

•) Het Land van Rembrandt. Amsterdam, S. L. van Looy.

Sluiten