Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is een treurige toestand. David heeft haar gekend. Hij zegt, Ps. 32 : 3, 4 : Toen ik liet. wilde verzwijgen, versmachtte mijn gebeente bij mijn dagelijksch gekerm, want uwe hand was dag en nacht zwaar op mij, zoodat mijn sap verdroogde, gelijk het in den zomer dor wordt. Ook David heeft zijne zonde gevoeld, maar een tijd lang haar niet willen belijden. De eerste zonde, met Bathseba, heeft hij aan overijling, aan eene zwakheid toegeschreven, en haar gering geacht. Toch wilde hij haar bedekt houden. Misschien heeft hij wel vrome gedachten daarbij gehad. Was hij niet de vrome David, de Gezalfde des Heeren ? Zou niet de naam des Heeren gelasterd worden, als deze zonde aan den dag kwam? Zoo kwam hij tot de tweede zonde, de moord van Uria. En nog altijd trachtte hij zichzelven in te beelden dat die zonde zoo zwaar, zoo groot niet was, dat het niet anders kon. Maar bij die zelfmisleiding was zijn geweten niet rustig, hij kon niet bidden, niet psalmzingen, hij moest afleiding zoeken, misschien zocht hij haar wel in vrome, goede werken, of in vurigen ijver voor vroomheid en braafheid (2 Sam. 12 : 5)1 rnaar in zijn binnenste voelde hij zich diep ellendig, de hand des Heeren was zwaar op hem. Zoo kunnen wij gevoelen zonder te belijden. Geve de Heer genade dat ook wij zijne stem in ons binnenste verstaan. Mochten ook wij het woord vernemen: Gij zijl die man! — opdat wij tot oprechte belijdenis komen, opdat wij gevoelen en belijden dat wij arme, verloren zondaars zijn!

V. Buiten Christus.

Wanneer wij over de belijdenis nadenken, dat wij „arme, verloren zondaars" zijn, dan mogen wij niet vergeten, dat wij dit zijn buiten Christus, in ons zeiven. In Christus zijn wij heiligen en beminden (Koloss. 3 : 12).

Sluiten