Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII. Leed over de zonde.

Wanneer wij de zonde in haar aard en wezen, met hare oordeelen en straffen, hebben leeren kennen, dan komt het ons haast overbodig voor te vragen wat verder volgt: „of u deze zonden van harte leed zijn".

Dat schijnt toch waarlijk wel van zelf te spreken. En toch, bij velen is het zoo niet. Zij moeten natuurlijk wel toegeven dat alles wat de gemeente van Christus over de zonde belijdt waar is, en zij zeggen dus ook, als zij naar het H. Avondmaal willen gaan, Ja, op de vragen die gedaan worden; maar het is eene kennis, eene overtuiging van hun verstand, niet een gevoel des harten, dat hen innerlijk tegen de zonde in opstand brengt. Of wel, zij belijden hunne zonde, maar troosten zich tegelijkertijd met de gedachte dat immers alle menschen zondaren zijn, en dat de genade Gods hun verzekert, dat er voor alle zonden vergeving is. Zij belijden dus wel, maar voelen niet den ernst, de beteekenis van die belijdenis. Wanneer zij verklaren dat zij met hunne zonde alle tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebben, denken zij in hun hart meer aan de zonde van anderen dan van zichzelven. Zij vinden hunne zonden eigenlijk toch zoo groot niet, zij weten allerlei verontschuldigingen ervoor bij te brengen. Of zij z.oeken een verdrag te sluiten met God, en zijn bereid om enkele zonden, die hun zelf hinderlijk of beschamend zijn, na te laten, als zij andere daarentegen maar mogen behouden. Dat zijn dan zonden, die een niet zoo schrikwekkenden, zoo afschuwelijken, zoo schandelijken indruk geven, zonden misschien, die hen bij de wereld aantrekkelijk maken en door haar geprezen worden. Rij de wereld zoeken zij dan ook troost, en zij beijvert zich hen gerust te stellen, zij noemt bekrompenheid en onverdraagzaamheid wat de heiligheid van den dienst des Heeren en de ernst des christelijken levens eischen.

Zoo kan een mensch zich zelf bedriegen en laten bedriegen. De duivel heerscht in zijn hart, en hij denkt dat dit, zoolang als hij leeft, wel zoo door mag gaan,

Sluiten