Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staan dan de Protestantsche. En de ervaring leert ook waarlijk niet dat godzaligheid, vroomheid en goede werken het meest bij de ongeloovigen gevonden worden. Zeker, ook bij hen, die den Christus Gods verwerpen, zijn edele karakters, die met ernst het goede zoeken, maar die juist zullen niet laatdunkend over de genade spreken. Hoe meer ernst een mensch maakt met heiligheid des levens en het streven om goede werken te doen, des te meer voelt hij ook hoeveel hem ontbreekt en dat hij genade noodig heeft.

Toch wordt door vele geloovigen wel eens treurige aanleiding gegeven tot de beschuldiging, dat het geloof in de genade het vrome leven niet bevordert. Daar zijn zoovelen, die uitwendig bij de partij des geloofs zich voegen, maar voor wie het geloof een dood bezit blijft; die den juichtoon des Apostels op de lippen nemen: Wie wil de uitverkorenen Gods beschuldigen? (Rom. 8 : 33), en die meenen dat ze zoo rustig voort kunnen zondigen. Zoo gaan zij ook naar het H. Avondmaal, nemen aan dat daar al hunne zonden vergeven worden, en denken dat zij dan weder opnieuw kunnen gaan zondigen, tot er weder eene Avondmaalsviering komt.

Wij voelen hoe verschrikkelijk dat misverstand is, hoe Christus daardoor tot een dienaar der zonde wordt gemaakt (Gal. 2 : 17), hoe de geheele Schrift op al hare bladzijden, met de letter, en door den Geest, die in die letter spreekt, hierover haar oordeel laat hooren.

Wij weten echter ook hoe zwak ons hart en hoe listig de Satan is, en, al spreekt het van zelf dat het geloof in 's Heeren genade ook een heilig leven en goede werken moet voortbrengen, wij willen het ons met heiligen ernst laten herinneren, met biddende oprechtheid voor Gods aangezicht ons zeiven afvragen, wat wij voornemens zijn.

Sluiten