Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geeft met de bewegingen van het kind. De band moet ± 127* cM. breed zijn en bestaan uit twee strooken — een van binnen, die 60 cM. lang is en een aan den buitenkant die 4-5 cM. lang is. Aan de buitenste zijde moet men de twee strooken zoodanig aan elkaar rijgen, dat het rijgsel aan de achterzijde komt, en de banden op zij, wanneer het kind den band aan heeft. Deze buikband is zoo ingericht om hem gemakkelijk te kunnen af- en omdoen en om te voorkomen, dat hij te vast aangetrokken wordt, wat vroeger dikwijls gedaan werd, daar de band (gewoonlijk een stuk katoen) zoo vast mogelijk getrokken en dan vastgeregen werd, waardoor het kind vaak niet behoorlijk kon ademhalen. De buikband behoeft slechts gedurende de eerste paar maanden gedragen te worden, mits het kind niet al te korte kleeren draagt, die de maag niet genoeg bedekken. Zijn de andere kleeren te kort, dan moet men de buikband een maand langer laten dragen.

3. Het lijfje en de rok. — Dit kleedingstuk, de zoogenaamde apenrok, moet van wollen stof, flanel of keper gemaakt zijn en het beste is, het in tweeën te maken, zoodat. wanneer het rokje nat is, wat vaak gebeuren zal, men het kan afdoen zonder de rest van de kleeren los te maken. Het lijfje moet even wijd zijn als de rok, alleen

Sluiten