Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven, toonde hij hoe hij het Sanskrit machtig was, in „Pandoe", een vertaling van een Javaansch Wayangverhaal in 1879 verschenen, bleek zijne kennis van het Javaansch. Ook in later dagen bleef' hij aan deze liefde getrouw, zooals „De Papegaai als Sherezade" in 1890 en .Malavika en Manjulika" in 1897 bewijzen kunnen.

Aan groote kennis der litteratuur paarde hij grondige grammaticale kennis. Dit maakte hem bij uitstek geschikt om als docent aan de Universiteit op te treden. Een tijd lang had Amsterdam het voordeel van zijne diensten als privaatdocent in de Indische taalkunde. Lang duurde de vereeniging van dit privaatdocentschap en het conrectoraat te Haarlem niet, daar Van der Vliet een werkkring wachtte, waar hij nog beter op zijne plaats zou zijn.

In 1891 trad C. M. Francken alhier als hoogleeraar in het Latijn af.

Van der Vliet achtte men den aangewezen man om hem op te volgen. Den 12<>™ Mei werd hij tot hoogleeraar in het Latijn en het Sanskrit benoemd.

Tot dien tijd was deze laatste taal door mij onderwezen, maar de toeneming van het aantal studenten en van mijne werkzaamheden maakten het wenschelijk dat dit onderwijs aan iemand werd toevertrouwd, die zich had doen kennen als een uitstekend kenner der Indische taal en letterkunde. Weinigen hadden bij de classiek-philologische studiën ook in de historische en vergelijkende taalstudie zoo ernstig gearbeid als Van der Vliet. Die studiën heeft hij steeds voortgezet en daardoor was hij en voor zijne studenten in de classieke en voor die in de Nederlandsche letteren een voortreffelijk docent, voor mij een hooggewaardeerd medewerker.

Inderdaad, de ondervinding heeft de goede verwachtingen, die allen van hem hadden, niet gelogenstraft.

Sluiten