is toegevoegd aan je favorieten.

Toelichting bij de Eenvoudige aardrijkskunde voor de volksschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dM, cM, DM zijn aangebracht en de leerlingen kennis hebben opgedaan van de windstreken, alsmede eenig begrip van schaal en plattegrond, wordt dat eerste onderwijs zuiver aardrijkskundig onderwijs. We nemen aan, dat met het geven van een samenhangend beeld van de plaats van inwoning begonnen kan worden in het laatst van het tweede of het begin van het derde leerjaar.

Het aanvankelijk aardrijkskundig onderwijs begint dus met de omgeving, omdat de leerlingen hier de grondvoorstellingen kunnen opdoen, waarvan het volgende onderwijs voortdurend gebruik maken moet. Niet alleen daarom echter. Het is bekend, dat kaarten een onmisbaar hulpmiddel zijn bij het aardrijkskundig onderwijs, wanneer het niet meer door directe waarneming kennis kan laten verwerven. Het kind moet kaarten leeren verstaan. Dit gaat het best, wanneer het kaarten ziet ontstaan; wanneer het ziet, hoe de werkelijkheid in kaart gebracht wordt.

Tweeledig is dus het dool van het aanvankelijk aardrijkskundig onderwijs:

1. het moet het kaartbegrip ontwikkelen;

2. het brengt grondvoorstellingen aan (van een vaart, een draaibrug, ophaalbrug, spoorbrug, haven, laden en lossen, pakhuis, verkeersmiddelen, straat-, grinden klei- of zandweg, vijver, gracht, dijk, fabriek, postkantoor, gemeentehuis en dgl.).

(Zie verder Koors' Handleiding bij het onderwijs in de aardrijkskunde van Nederland", die de stof en de behandeling er van uitvoerig bespreekt!)

Wat te behandelen na de omgeving?

In de bovengenoemde „handleiding" lezen we op bladz. 53 en verv.: