Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden geleerd, dat de kinderen niet heelemaal verstaan, — nooit mag het den onderwijzer vervangen; altijd moet het leeren van de lesjes een herhaling zijn en nauw aansluiten bij het behandelde."

Zeker, nooit moest een leerboekje den onderwijzer vervangen, omdat niets gaat boven zijn levende voordracht. Yiva vox docet, de levende stem onderwijst!

Maar in kleine scholen (met een of twee leerkrachten) breekt nood dikwijls wet, moet men wel ereis doen, of er geen regels zijn als de bovenstaande. Daar is men meermalen gedwongen te handelen in strijd met de voorschriften der methodiek. Gebrek aan tijd is er oorzaak, dat een leerboekje (inzonderheid in het zesde leerjaar) den onderwijzer menigmaal moet vervangen. Met dit feit hebben wij bij het schrijven onzer boekjes rekening gehouden en óók daarom zijn vooral in het derde deeltje betrekkelijk uitvoerige schetsen van de landen van Europa en de werelddeelen opgenomen.

Wanneer het eerste aardrijkskundig onderwijs goed geweest is, kan de onderwijzer in de hoogste leerjaren de kinderen vooral brengen tot zelfstudie.

Dat de vragenboekjes ook in kleine scholen goede diensten bewijzen kunnen, behoeft zeker geen betoog. Daar — zouden we zoo zeggen — moeten de leerlingen hun aardrijkskundeboekjes altijd bij de hand hebben: als een of ander werk af is en er kan nog geen andere arbeid gegeven worden, hebben ze die boekjes maar te nemen.

In „Scholen in druk" door J. A. Slempkes, hoofd der school te Rosendaal (Gelderl.), lezen we:

„Wijl ook bij dit leervak (aardr.) in de hoogere klassen do zelfstudie der kinderen de belangrijkste factor is tot het bereiken van een goed resultaat, dient

Sluiten