Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behandeling van enkele interessante (lieren, die we trouwens in 't winterhalfjaar ook niet zouden ontmoeten. We bedoelen de bijen en de vlinders. Hierbij komt nog, dat er een innig verband bestaat tusschen deze insecten en de planten, zoo innig zelfs, dat ze van elkaar afhankelijk zijn, dat ze invloed op elkaar oefenen, dat ze als 't ware samenleven. Ofschoon we 't niet mogelijk achten, de leerlingen op dezen trap van ontwikkeling in al de geheimen dier samenleving in te wijden, meenen we toch, van deze schoone materie de allereerste beginselen onder de aandacht te kunnen brengen.

Overvloedig hebben we reeds gelegenheid gehad, ze in talrijke menigte te zien rondzwerven, de nijvere, zacht gonzende bijen. Bij den bloeienden kerseboom en appelboom vooral hebben we ze ontmoet, bij helder zonnig weer.

Waar en wanneer we de bijen in haar arbeid kunnen gadeslaan; waarom we ze op regenachtige dagen of bij harden wind niet zien uitvliegen; waarom ze zoo druk heen en weer vliegen; in welken tijd van 't jaar we ze niet ontmoeten; ziedaar vragen, welke de leerlingen zelf wel kunnen beantwoorden.

W'e willen de bij van naderbij bekijken, om den bouw van 't lichaam te leeren kennen. We doen opmerken: dat het lichaam bestaat uit drie deelen, nl. kop, borststuk en achterlijf; dat het lichaam met kleine haartjes is bedekt; dat aan de dwarsstrepen op het achterlijf blijkt, dat dit uit eenige ringen bestaat; dat het borststuk bestaat uit 3 ringen; dat aan ieder ring een paar pooten zijn en dat de tweede en de derde ring een paar vleugels dragen. De bij heeft dus drie paar pooten en twee paar vleugels. Deze laatste zijn dun en vliezig.

Dieren, welker lichaam, evenals dat van de bij uit drie deelen bestaat en op dergelijke wijze gebouwd is, heeten insecten. Alzoo zijn vliegen en muggen, vlinders en torren ook insecten.

Hoe de bijen den honig uit de bloemen halen. Voornamelijk bezoeken ze bloemen, die goed geopend zijn. Ze steken den kop diep in de bloemkroon. Ze wenden zich in de bloem om en om; daardoor blijven de kleine stuifmeelkorrels aan de stevige haartjes der bij vastzitten. Geheel bestoven zet ze zich daarna op den rand der bloemkroon. Ze borstelt zich met de behaarde pootjes

Sluiten