Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dun en een weinig gebogen. Houden we liet vruchtbeginsel van een uitgebloeide boon tegen 't licht, dan kunnen we daarin duidelijk kleine zaadjes waarnemen.

AVe nemen nog bloemen van andere vlinderbloemigen, b.v. van de erwt, en beproeven ook aan deze do bovengenoemde bloeindeelen te vinden.

OPGAVEN.

1. Noem eenige in 't wild groeiende planten.

2. Ook eenige gekweekte sierplanten.

3. Welke gekweekte nuttige gewassen ken je?

4. Uit hoeveel blaadjes bestaat de kelk van de boon?

5. Welken vorm heeft de kelk?

(j. Noem de deelen van de bloemkroon ?

7. Waarop lijkt de bloem wel wat?

8. Hoeveel meeldraden zitten er in de bloem?

9. Wat bijzonders valt er aan die meeldraden op te merken? 10. W at kun je van den stamper vertellen ?

Teekenen: a. de twee helften van een boon naast elkaar.

b. de naast elkaar gelegde kroonbladeren.

15. De boon.

b. De peul.

Als boven aan den stengel van een boon nog bloemen prijken, dan zitten onderaan reeds vrij groote peulen. Dus ontluiken alle bloemen niet te gelijk. Dit verschijnsel hebben de leerlingen op de wandeling in de wei zeker meermalen opgemerkt, b.v. bij de pinksterbloem. Ze zullen zich nog herinneren, welke bloemen het eerst ontluiken, de buitenste of de binnenste, ra. a. w. de onderste of de bovenste. Bij de boon groeien de bloemen aan den stengel, naarmate deze in lengte toeneemt.

Zoodra de bloem is uitgebloeid, vallen de bloembladen en de meeldraden af. Stempel en kelk verdorren, 't Vruchtbeginsel groeit door. Eindelijk is het volwassen. De peul wordt rijp. De peul is de vrucht van de boon.

Sluiten