Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPGAVE N.

1. Waar worden vooral linden geplant?

2. Wanneer bloeien deze boomen?

3. Hoe komt het, dat men van dien bloei zoo weinig merkt?

4. Vertel iets van de bloem eener linde.

5. Waardoor worden de insecten naar den boom gelokt?

0. Hoe zijn: de bladeren; de stam; het hout; de bast, en de vrachtjes?

7. Waarvoor wordt de vezelige bast gebruikt?

8. Wat maakt men van het zachte hout?

Teekenen: a. een lindeblad;

b. een schutblad met een steeltje van de bloeiwijze.

10. De Waterscheerling.

Het is wenschelijk, dat de leerlingen vrij algemeen voorkomende giftplanten goed kennen. Inzonderheid dienen we hen te wijzen op: de waterscheerling, de hondspeterselie en de dolle kervel. In de eerste plaats willen we de waterscheerling nauwkeurig beschouwen.

Waar de waterscheerling groeit: aan den kant van slooten en plassen, ook er middenin. Bloeitijd: Juli en Augustus. Bladen: lichtgroen en geveerd. Stengel', dik en rond; hij vertakt zich en eindigt in een bloeiwijze. Die stengel is hol; op 't eind der leden zitten tusschenschotten. De bladeren hebben aan de stelen bladvormige aanhangsels, die tot scheeden zijn gegroeid. Ze sluiten den stengel slechts gedeeltelijk in.

Wortels: lang en dun; zitten in 't slijk van den bodem in grooten getale. In den herfst sterft de kruidachtige stengel, maar 't onderste deel blijft leven; dus een overblijvende plant. Dat ondereind is hol, evenals de heele stengel, maar de leden er van zijn zeer kort; hierdoor de tusschenschotten dicht bijeen.

Bloeiwijze: Uit den top van den bloemsteel loopen een aantal zijstelen in meer of minder schuine richting omhoog: de buitenste stelen langer dan de binnenste. Dicht bij den top verdeelen ze zich in een aantal kleine steeltjes, aan welker top kleine witte

6*

Sluiten