Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VARENS, MOSSEN EN ZWAMMEN.

1. De mannetjesvarens: waar ze zich bevinden en hoe ze er uitzien.

'2. Vorm der bladeren. Sporen. Sporenhouders. Bedektbloeienden.

3. Iets over het mos.

4. De champignon of paddenstoel. Hoe hij er uitziet. Hoe aan den grond bevestigd.

5. Wat er aan den onderkant van den paddenstoel te zien is. Eetbaarheid.

6. Iets over schimmels. De aardappelschimmel. Zwammen.

8. De ontwikkeling van een zaadje.

Een wandeling naar den akker, waar een landman bezig is met zaaien. Dit laatste bevreemdt velen: de herfst tocli is de oogsttijd. Na 't oogsten echter heeft hij dadelijk het stoppellaml omgeploegd, en thans haast hij zich, zaad aan den akker toe te vertrouwen. Hij zaait rogge uit, die den akker met een groen kleed zal tooien, eer de wintervorst voorgoed zijn tenten hier opslaat. Winterrogge, in tegenstelling met die in 't voorjaar wordt uitgezaaid.

Herinnering van wat vroeger bij de ontwikkeling van een boon is opgemerkt. De boon uit een zaadhuidje en een kiem; die kiem gevormd door 2 zaadlobben en een klein pluimpje, dat zijn eerste voedsel, het kiemwit, uit de zaadlobben trekt. Deze zaadlobben zijn de eerste bladeren der jonge plant; als ze aan deze haar kiemwit hebben afgestaan, verdrogen ze en vallen ze af.

Een roggekorrel bevat ook een kiem of klein plantje, dat uit slechts één blad en een klein worteltje bestaat; verder bevat de korrel een hoeveelheid kiemwit, dat als eerste voedsel voor de plant moet dienen. Bij de roggekorrel ligt het kiemwit naast de kiem; bij de boon is het opgenomen in de zaadlobben.

Zoodra het jonge roggeplantje in grootte toeneemt, verschijnen er niet twee tegenover elkaar geplaatste blaadjes boven den grond, zooals bij de boon: er komt maar één blaadje voor den dag. De kiem van de rogge heeft één lob, die van de boon heeft er twee. Daarom noemen we de rogge éénzaadlobbig. Een- en tweelobbige planten.

Sluiten