Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bloed afgescheiden. Een paar speekselkiicren vinden we o. a. onder de tong: strijken we daar langs met de punt der tong, dan scheidt zich gewoonlijk overvloedig speeksel af.

Aan den onderwand van den mond is de tong bevestigd. Zij bestaat geheel uit spieren; de punt kunnen we in alle richtingen door den mond bewegen en ook buiten den mond steken. Op den rand en achter op den rug der tong zitten kleine zenuwdraadjes, die we smaakzenuwen noemen, omdat we met deze zenuwen de spijzen kunnen smaken of proeven.

De bovenwand van den mond wordt gevormd door het harde gehemelte vóór en het weeke gehemelte achter in den mond. Het weeke gehemelte hangt in het midden met een punt omlaag: de huig. Achter het weeke gehemelte is de keelholte, waar de slokdarm en de luchtpijp beginnen. De mondholte staat met de neusholte in verbinding. Dit kunnen we o. a. weten door de ademhaling; wellicht hebben de leerlingen ook wel eens gezien, dat iemand rook uit den mond door den neus liet gaan.

De luchtpijp zit voor den slokdarm: toch gaat in dezen het voedsel, als we dit doorslikken. Doordat we bij het slikl^B de tong terugtrekken, drukt deze tegen een klepje, dat dan de luchtpijp afsluit. Praten of lachen we onder het eten, dan licht dat klepje zich telkens op, zoodat er licht een weinig voedsel in de luchtpijp komt. Dan volgt onmiddellijk een hevige hoestbui; we hebben nl. iets in „de verkeerde keel" gekregen.

DE MOND.

1. Snijtanden. Maaltanden of kiezen. Wisseltanden. Bijten en kauwen. Speeksel; klieren.

2. Iets over de tong. Proeven.

4. Bovenwand van den mond. De huig.

4. De slokdarm eu de luchtpijp. Hoe we weten, dat de mondholte in verbinding staat met de neusholte.

5. De verkeerde keel.

Sluiten