Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

letters, waaronder 2 bekende, te nemen, omdat er geen woord met die nieuwe letter is, dat slechts een andere bevat, dan moet eenigszins anders gehandeld worden.

Indien b.v. de au opgemerkt zal worden uit saar — s en r bekend — dan zou op de vraag: „Wat nog meer dan s?" ten antwoord kunnen komen: aar. Dit kunnen we voorkomen door te zeggen: „als ik saar zeg, hoor ik er nog een, die we al gehad hebben, luister maar: saarrr

En dan: „behalve s en r nog een, die we niet gehad hebben ; wie weet het?"

§ 30. Een volgende moeilijkheid bestaat in het laten onderscheiden van de plaats der letters als voorbereiding tot het in volgorde ontbinden. Ook dit levert weer niet veel moeite op. Voor de eerste oefeningen, het onderscheiden van de plaats der letters in woorden uit 2 klanken bestaande, kiezen we woorden, die reeds behandeld zijn, zoodat we krijgen:

Woorden noemen met m, waaronder oom. Vraag: „wat hoor ik het eerst? wat dan?"

Gelijke oefeningen met: lee, mie, ma (we hebben hier alleen weer met de uitspraak te doen).

Daarna oefeningen met woorden uit 3 der behandelde letters bestaande. Bij de vragen neme men deze volgorde in acht: „wat hoort ge het eerst?" „wat het laatst?" „wat hoort ge nog meer?"

Wat het eerst en wat het laatst gehoord wordt, is gemakkelijk genoeg uit te maken; de tusschenletter blijft dan van zelf over.

\ raagt men: wat het eerst, wat dan, en wat daarna, dan doet zich vaak verwarring tusschen 2e en 3e voor.

Als toepassing kan men hiernaast opgeven woorden te noemen, waarin een der behandelde letters het eerst, het laatst en niet het eerst en ook niet het laatst voorkomt. De uitdrukking „niet het eerst en ook niet het laatst" is te verkiezen boven „in het midden", omdat b.v. in boekenkast de s niet in het midden staat, maar toch evenmin het eerst als het laatst gehoord wordt

Sluiten