is toegevoegd aan je favorieten.

Handleiding voor het aanvankelijk leesonderwijs

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van plaatselijke omstandigheden zal afhangen, of aar te gebruiken is.

Plaat 1: saartje, vader, tafellaken, glazen, kanarie, schaaltje, kaas, taart, vaas (bloemen), zaadbakje, zaad-

Plaat II: ramen, haan, bladeren, straatje, paard.

Plaat III: waschtafel, karaf, water, haarkam, lakens, gaskraantje, schaduw.

Oefeningen met IE.

Punt van uitgang: sien (sientje). Opmerken van de bekende letters s en n; daarna van de ie.

Plaat I: sientje, kanarie, dienstbode, koffie, servies.

Plaat II: gieter, knieën, gieten.

Plaat III: spiegel, wieg.

Plaat IV: locomotief, bierwagen, wielen, serviesje.

Tot nu toe zijn de letters niet alleen duidelijk te onderscheiden van andere, maar hebben ze ook geen moeilijkheden opgeleverd zooals er b.v. een ontstaan kan door verwantschap met andere. De leerlingen zijn nu echter genoeg thuis geraakt in dit werk, om zulk een moeilijkheid te kunnen overwinnen, als dit wenschelijk is.

Daar het voor de eerste leesstof van veel belang is spoedig de t te kunnen gebruiken, zij het dan ook vooreerst alleen aan het eind van woorden, zal nu reeds de t behandeld worden.

Met de reeds behandelde letters is echter geen woord te maken, waarin behalve deze een t voorkomt en dat aan een bekende zaak doet denken — woorden als maat en moot zijn b.v. minder geschikt —; het is dus beter hier weer op de vroeger beschreven wijze te handelen en als uitgangspunt te nemen den zin: op de plaat staat een kat.

„Slordige sprekers ..." zie het vervolg van deze aanhaling in § 31, bl. 48.

De platen geven behalve de daar genoemde de volgende woorden: