Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooroefeningen met de b. Ontbinden: bal.

De platen geven:

Plaat I: boter, boterham, theebus, bordje, bloemen, boezelaar.

Plaat II: boek, boom, buiten, buis, blouse, broek.

Plaat III: bed, behangsel, zeepbakje, badkuip.

Plaat IV: bal, breien, bruintje (het paard), bouwen, boeken.

Zelden komt het verschijnsel voor, dat b als p uitgesproken wordt. Toch is het voor het zuiver schrijven (of maken) gewenscht het onderscheid tusschen beide letters goed te laten hooren in woorden als: boot en poot, bek en pek. bak en pak, been en peen, bier en pier (alleen gebruiken, wanneer dit woord bekend is: de overige woorden geven stof genoeg om niet ter wille van deze oefening van de zaak eerst een voorstelling aan te brengen).

De letter leeren kennen uit: een bal.

Vertellen enz. van de lesjes op bl. 26, 27. 28.

Opmerking: in streken, waar de leerlingen niet met het bedrijf van den boer bekend zijn, moet bij bladz. 26, als toelichting voor het slot van het lesje, alleen verteld worden, dat de boer van de melk boter, en ook wel kaas maakt; over de bereiding wordt dan niet gesproken. Toch zal in die streken een vrij uitvoerige bespreking vooraf moeten gaan om eenigszins een denkbeeld van een boer aan te brengen. Licht zou men niet aan de noodzakelijkheid hiervan denken, omdat dit woord zoo vaak voorkomt, dat men het ook bij de kinderen bekend veronderstelt, en toch spreekt het van zelf, dat bij stadskinderen van den leeftijd van een jaar of 7 meestal in het geheel geen denkbeeld van een boer aanwezig is.

Zeer vaak komt het voor. dat men er verwonderd over staat, dat een algemeen gebruikt woord bij de kinderen onbekend, of voor hen niet meer dan een klank is. terwijl men toch bij eenig nadenken zal inzien, dat die onbekendheid volstrekt geen verwondering behoeft te wekken. Vandaar dan ook. dat de onderwijzer bij iedere nieuwe groep zich nauwgezet moet afvragen, welke woorden, ook met het oog op plaatselijke omstandigheid, een voorafgaande bespreking vereischen.

Sluiten