Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het is bui-ten nat.

toen lie-pen tijs en kees al-leen naar buur-man.

zij lie-ten piet in huis.

Bladz. 36.

tijs en kees gaan buur-man hei-pen.

bij den muur is een boom.

daar zit-ten ker-sen aan.

vier man-den moe-ten vol ker-sen.

kees en tijs in den boom.

wel een uur er in.

toen met de val-Ie man-den naar buur-man.

een zak vol ker-sen was voor kees en tijs.

Bladz. 37.

leen liep met een pijp.

maar hij kon daar niet uit roo-ken.

er was geen vuur in.

die pijp was van sui-ker.

zij is niet duur.

die pijp is lek-ker.

Vooroefeningen met de j. Ontbinden jas.

De platen geven:

Plaat I: jongen, jas, jurk, jarig.

Plaat II: meisje, [topje, poesje.

Plaat III: schoentje, japon, jurk.

Plaat IV: juffrouw (winkel), paljas, breien (daarin hooren de kinderen den /-klank).

Het letterteeken leeren kennen uit een jas.

Behandelen van de lesjes op bl. 38. 39, 40. Woorden als meis-je e. d. moet men liever eerst opschrijven, voordat ze gemaakt worden, omdat de kinderen er licht van maken ineisj.

Opmerking: blz. 40. In dit lesje en ook later wordt het woordje je gebruikt, terwijl blijken zal. dat dit woord niet het eenige uit de spreektaal is, dat in de boekjes voorkomt, en in de schrijftaal gewoonlijk door een ander vervangen wordt. Dergelijke woorden zijn niet alleen in de boekjes opgenomen, omdat de kinderen de overeenkomstige woorden uit de schrijftaal nog niet lezen kunnen, maar voornamelijk, omdat

9

Sluiten