Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog steeds moeten oefeningen in het maken en lezen van woorden voorafgaan aan het lezen uit de boekjes. Ook hier wordt daarmee op dezelfde wijze gehandeld als vroeger: vertellen van den inhoud, door vragen komen tot enkele zinnen, waarvan sommige woorden door de kinderen gemaakt worden. Is men met het schrijven zoover gevorderd, dat dit het maken van woorden kan vervangen, dan kan het er voor in de plaats komen; noodig is het echter niet.

Hieronder volgen de uittreksels.

Blz. 3 en 4:

een grap van her-man met zijn zus-je griet.

hij voel-de haar pols.

griet zei: mijn neus jeukt een beet-je.

Bladz. 5:

bert tee-kent op zijn lei.

de punt vin zijn grif-fel is grof.

wat doet bert. als hij groot is'?

de oo-gen van zijn moe zijn niet zoo groen als gras.

Opmerking: grif-fel niet laten maken vóór het lezen, wel namaken.

In de lesjes, die nu volgen, worden naast- de oefeningen niet dubbele medeklinkers achtereenvolgens de hoofdletters geleerd (zie S 39 bl. 64).

Hoofdletters worden gebruikt om eigennamen en het eerste woord van een nieuwen zin te doen uitkomen.

De opvolging moet zoo geregeld worden, dat eerst hoofdletters worden geleerd, die alleen in grootte van de gewone afwijken, daarna komen de afwijkende aan de beurt. Bij deze is toch soms nog te wijzen op overeenkomst: de K b.v. kan door het wegvegen van den uitstekenden stok ontstaan uit de k.

Wil men niet te veel hoofdletters tegelijk leeren, dan is het beter de hoofdletter eerst bij eigennamen te leeren kennen: ieder lesje geeft dan niet meer dan een twee- of drietal. Zoodra er eenige zijn behandeld kan men ook het eerste woord van een nieuwen zin er mee schrijven.

Sluiten