Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het boek zijn plaatsen zon-der plaat-jes.

Op een plek-je kan nog wel een groo-te plaat staan.

Bladz. 44 en 45:

Baas Dirk zei: help mij wat.

Haal die roo-de tulp uit dat perk.

De ap-pels zijn niet rijp.

Er zit pas bloesem aan de boo-men.

Bladz. 4ti en 47:

Hein, de dien-der heeft een helm op.

Hij loopt kalm door het dorp.

Klaas wierp een steen naar een kat.

Klaas is een boos-wicht.

Hein gaf hem een paar klap-pen.

Bladz. 47 en 48:

Ik speel vaak op het erf van boer Harm.

Gis-ter was er een kar vol turf.

Ger-rit zei: durf je er wel op klim-men?

Klaas durf-de wel.

Wij droe-gen Klaas naar huis.

De dok-ter zei, dat zijn reeh-ter arm stuk was.

DE LEESOEFENINGEN VOOR HET 5E STUKJE.

§ 60. In het 5e stukje komen eerst nog eenige lesjes voor, die woorden bevatten met dubbele medeklinkers voorof achteraan; daarna worden ng, ooi, oei, aai en au behandeld, en dan krijgen eenige moeilijkheden een beurt zooals: nk; j, d en b met scherpe uitspraak; a, o, e, i en u op het eind van een lettergreep, terwijl ten slotte de eeu en ieu geleerd worden.

Bij de eerste bladzijden behooren de volgende uittreksels: Bladz. 3:

Jan, poets je schoe-nen.

Zet je muts op.

Is er iets meer te doen, moe?

Neen Jan, er is niets meer te doen.

Sluiten