Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Holland een zwaardleen was voor ditmaal zegevierde, in dien zin dat de mansstam voorging. Maar een kleine eeuw later (1299^ bleek het toch even goed mogelijk, dat. althans bij ontstentenis van zwaardmagen, een vrouwelijke zijlinie opvolgde. Jan II, de eerste graaf uit het Henegouwscht huis, was een zoon van Aleida van Holland, tante van den kinderloos overleden Jan I.

Bij den dood van Willem IV schijnt de naaste zwaardmaag, zijn oom Jan van Beaumont weinig geneigd te zijn geweest aan des erflaters zuster den voorrang te betwisten, de strijd liep dientengevolge zuiver over de vraag of een vrouw ditmaal een zuster tot de erfopvolging gerechtigd was. Toevallig was die vrouw de gade des keizers, deze kon den knoop eenvoudig doorhakken en zijn vrouw met Holland beleenen, want ook wanneer het leen, bij geinis van zoons, moest geacht worden aan het rijk te zijn. teruggevallen, was de keizer bevoegd het opnieuw, aan wien ook, uit te geven. De regel, dat Holland een zwaardleen, was bond den keizer niet in zijne keuze, hij kon het uitgeven als spilleleen.

Hoewel dus, sedert het optreden van het Beiersch huis, de hoedanigheid van spilleleen niet meer ontkend kon worden, ontbrandde bij den dood van Willem VI toch weder de oude strijd over Holland en Zeeland tusschen 's graven dochter Jacoba en zijn broeder .lan van Beieren. Jan werd door den keizer met Holland en Zeeland beleend, doch sloot een verdrag met Jacoba, die hem het medebestuur afstond, hetwelk slechts kort duurde, daar hij eenige jaren later vergiftigd werd. Daarna kreeg de erfopvolgingsstrijd, door de binnenlandsche partijschappen wakker gehouden, weder een ander karakter, het was nu niet meer de vraag of de naaste zwaardmaag de voorkeur zou hebben, maar eenvoudig of er een vrouw mocht regeeren. Immers Philips van Bourgondié, aan wien Jacoba ten slotte Holland en Zeeland moest afstaan, was zelf een nakomeling in de vrouwelijke lijn van het Beiersche gravenhuis. Bij den dood van Karei den Stouten eindelijk had zijn dochter Maria geen mededinger en ging de opvolging dus zonder veel stoornis.

Terwijl alzoo over Holland zelf, als rijksleen, bijna voortdurend strijd is gevoerd, schijnt met betrekking tot de leenen, waarvan de Hollandsche graven op hunne beurt, of andere heeren in Holland, de leenheeren waren, het beginsel van de vererving in de rechte nederdalende vrouwelijke lijn vrij gemakkelijk ingang te hebben gevonden en dientengevolge in het algemeen de regel gehuldigd te zijn, dat de vrouw in een naderen graad voorgaat boven den meer verwijderden zwaardmaag (dochter vóór broeder, zuster vóór oom of neef). De reden zal wel geweest zijn, dat vele Hollandsche leenen, als zoogenaamde onversterfelijke leenen, niet zoo licht aan den leenheer vervallen konden. Dit moet volgens De Groot (Inl. II, 41) hieruit verklaard worden, dat vele goederen, die oorspronkelijk vrij eigendom waren, door den eigenaar vrijwillig aan een machtiger heer als leenheer waren opgedragen, natuurlijk onder voorwaarde, dat die goederen in hoofdzaak naar de gewone regelen van het erfrecht mochten blijven overgaan, zoodat zelfs als er geen verwanten aan de zwaardzijde of aan de zijde, vanwaar het leen den erflater was aangekomen, meer bestonden, het leen in een andere zijlinie vererven mocht, op dezelfde wijze als gewone bezittingen.

Te veel gaat men dikwijls uit van de onderstelling, dat de onbepaalde bevoorrechting van den mansstam een oud-germaansch beginsel was, hetwelk uit zijn aard ook het leenrecht en zoodoende de dynastieke erfopvolging moest komen te beheerschen, zoodra het beginsel, dat de leenen bij zoonloos overlijden aan het rijk terugvielen, werd prijsgegeven.

3

Sluiten