Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met betrekkin* tot de leenen stond men aanvankelijk niet zoozeer voor het alternatief: opvolging van de dochter of vererving in de zijlinie van den manasUl.,. maar opvolging van de dochter of terugvallen aan den leenheer. Eerst langzamerhand zullen machtige agnaten, gebruik makend van het feit, dat in een zwaardleen geen vrouw mocht opvolgen, daarop voor zich rechten hebben doen gelden en zal zoo de kwestie ontstaan zijn, gelijk zij zich in Holland voordeed tusschen Ada en haar oom Willem. Bij den dood van Willem IV van Holland, ziet men de kwestie weer in haar oorspronkelijke gedaante zuiver gesteld, doordat Jan van Beaumont zich niet op den voorgrond plaatste, (lie Aant. .•>).

Mijns inziens was namelijk in het Germaansche erfrecht in het algemeen de voorrang van de vrouw uit een naderen graad een ouder beginsel, dan dat van den onbepaalden voorrang van den mansstam. Dit drong eerst langzamerhand door ddar waar men onsplitsbare groote goederen had (zie Aant. 7). Zoo zal vooral toen de rijksleenmannen min of meer zelfstandige vorsten geworden waren door deze de behoefte zijn gevoeld om te gaan zorgen voor de instandhouding en het aanzien van hun stamhuis. Aan den eenen kant geneigd hun verschillende bezittingen tusschen hun zonen te verdeelen, opdat alle takken in aanzien zouden komen, zorgden zij daarbij tevens, dat de goederen niet in andere geslachten konden overgaan, door bepalingen, dat de leden van den mansstam in de verschillende takken over en weer op elkanders goederen zeker verwachfngsrecht zouden hebben, zooals wij dal in het vorige hoofdstuk gezien hebben met betrekking tot het huis van Nassau. Zie verder over deze zaak de Aanteekeningen bij Hoofdstuk VI.

(7) Het stelsel van de bevoorrechting van den mansstam in zijn vollen omvang gold slechts bij de Tnftringers, een tijd lang ook bij de Longobarden en voorts met betrekking tot bepaalde goederen (waaruit later de adelsgoederen zijn voortgekomen) bij de Ripuarische Franken. De Salische Franken hadden een eigenaardig stelsel van erfrecht voor roerend goed, hetwelk hier niet ter zake doet. Met betrekking tot onroerend goed neemt mer. aan, dat vererving oudtijds alleen in de nederdalende mannelijke lijn kon plaats hebben ;op dezelfde wijze als later in het leenrecht) en dat bij zoonloos overlijden de goederen terugvielen aan een soort van gemeenschap van naburige eigenaren, wat met eigenaardige toestanden van politieken en ecunomisclien aard moet hebben samengehangen. Dochters waren van de erfopvolging van onroerend goed uitgesloten, totdat koning Chilperik in zijn Edict van 574 bepaalde, dat zij bij ontstentenis van zoons mochten opvolgen, terwijl als de erflater geheel kinderloos was, het goed aan zijn broeder mocht komen, of als hij geen broeders had aan een zuster. Dit is dus het eigenlijke Salische erfrecht, want in de voorgaande periode kon de kwestie of de dochter door de zijlinie van den mansstam werd uitgesloten, natuurlijk in het geheel niet ter sprake komen.

Dit oude Salische beginsel, dat de dochter voorgaat boven den broeder, werd eerst later prijsgegeven; in aansluiting aan het Ripuarische recht ontstond er een onderscheiding tusschen twee soorten van onroerende goederen, en terwijl met betrekking tot grondbezit in het algemeen zusters nu met broeders tezamen mochten erven, kreeg men een bijzonder soort van grondbezit (terra salica, een soort van stamgoederen!, ten opzichte waarvan vrouwen uitgesloten en bij den manstam tot in het oneindige achtergesteld werden Deze bepaling uit het nieuwe

Sluiten