Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen aannemen, niet van ernstigen aard zijn, het is toch minder gewenscht, dat het aantal personen, hetwelk dien titel voert, (het zijn er thans reeds twee, of eigenlijk drie, want den nakomelingen van de Sainte-Maure's is in Frankrijk eveneens het recht toegekend om zich Prins van Oranje te noemen) eerlang mogelijk nog met één vermeerderd werd (1).

De vraag, in hoeverre er thans nog van een recht van vrije beschikking over dien titel sprake kan zijn, wensch ik daarom in dit hoofdstuk te behandelen.

In de dagen na de laatste grondwetsherziening schreef een destijds bekend journalist, tevens historicus, mr. J. E. van Someren Brand, een stukje in een tijdschrift, getiteld „Een dol artikel van de Grondwet," daarmee doelende op de bepaling van art. 29, dat de oudste zoon den titel voert van Prins van Oranje (2).

De gewoonte, om den oudsten zoon des vaders tweeden titel te doen voeren bestaat ook in het buitenland bij vele vorstelijke en adellijke huizen. Een Engelsche hertog bezit, behalve zijn hertogdom, gewoonlijk nog wel het een of ander markiezaat, en terwijl hij zelf naar zijn hertogdom genoemd wordt, voert dan de oudste zoon bij des vaders leven den

titel van markies van (zooals het markiezaat

heeten mag) (8). Op zich zelf is er dus niets vreemds in, dat het bij ons vorstenhuis evenzoo toegaat. De bedoeling van mr. Van Someren Brand was dan ook alleen, er zijn verwondering over te kennen te geven, dat zoo iets werd neergeschreven in de Grond-

Sluiten