Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANTEEKENINGEN.

(1) Art. 22 G. W. behandelt achtereenvolgens de drie gevallen, waarin een nieuw stamhuis op den troon komt. Eerst het geval dat een Koning benoemd is, volgens art. 20 en 21 ; in dat geval neemt het nieuwe stamhuis zijn oorsprong van den benoemde en worden al de voorafgaande bepalingen omtrent de erfopvolging toepasselijk op de nakomelingen van den nieuwen Koning.

Het tweede geval is dat, wanneer één der nakomelingen, van Prinses Caroline van Oranje volgens art. 15 optreedt. In dat geval neemt het nieuwe stamhuis zijn oorsprong eveneens van den eersten Koning uit dat stamhuis en gelden de gewone bepalingen omtrent de erfopvolging dus alleen met betrekking tot diens nakomelingen, niet met betrekking tot de verdere nakomelingen van die Prinses, wat groot verschil maakt, omdat art. 15 alleen de mannelijke uit mannen geboren nakomelingen van Prinses Carolina tot den troon roept (zie Aanteekening 5 bij Hoofdstuk II).

Het derde geval is dat waarin, zooals het oude art. 19 uit de G. W. van 1848 het uitdrukte: een vrouw de kroon in een ander Huis overbrengt. Hier worden al de bepalingen omtrent de erfopvolging toepasselijk op alle nakomelingen van die vrouw, ook wanneer niet zij zelve, maar één harer nakomelingen bij plaatsvervulling (art. 14. derde lid. de eerste Koning uit het nieuwe stamhuis is. Ter verduidelijking van die bedoeling laat het art. deze woorden volgen : -met dien verstande, dat de kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen overgaat in de volgende lijn van het stamhuis, waartoe de vrouw door geboorte behoorde".

Derhalve, wanneer niet zooals thans, een vrouw de kroon nog bij haar leven in een ander stamhuis overbrengt, zelve Koningin zijnde, maar wanneer de kroon rechtstreeks komt aan een nakomeling in de vrouwelijke lijn, ook zelfs dan wordt het nieuwe stamhuis geacht zijn oorsprong te nemen van dat echtpaar, waarvan de vrouw een geboren prinses van Oranje was.