Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vrouwelijk hart — begon het haar te hinderen, dat de jonge zee-officier, die overal met ingenomenheid werd geaccueilleerd, die attenties had voor alle dames, zonder eene in 't bijzonder te onderscheiden, nu juist haar alleen met kennelijk opzet uitzonderde van zijne algemeen geroemde hoffelijkheid. Zij begon het onuitstaanbaar te vinden, als hij haar in een dameskring voorbjjging met eene lichte buiging, zonder haar aan te zien of eenige notitie van haar te nemen. Zij ving aan zich zelve te verwijten dat zij den speelnoot harer jeugd, die haar met de oude gemeenzaamheid was te gemoet gekomen, zooveel mistrouwen had getoond, en dat zij hem met te veel hardheid had afgestooten; maar 't was nu eenmaal geschied, en zjj zelve kon toch onmogelijk den eersten stap doen ter verzoening, terwijl niets haar gerechtigde tot de verwachting dat die van zjjne zijde zoude komen. Integendeel de achteloosheid waarmee de jonge zee-officier de rijke, door allen gevierde erfgename behandelde, was zoo opvallend, dat zij den goedhartigen, niets kwaads vermoedenden van Berchem zelfs in 't oog viel, en hij zich voornam daarin eens tusschenbeiden te komen, want dat kon toch zoo niet blijven, meende hij. Afgewezen had zij hem immers niet, want hij had haar niet eens gevraagd, en 't was maar het een of ander misverstand dat licht kon vereffend worden. Witgensteyn kwam familiaar aan huis bjj zijn getrouwden zoon; hij had Lize en andere dames een dejeuner aangeboden op zijne boot, en hij had nicht Regina, de kostbaarste bloem uit den dameskrans, niet eens geïnviteerd. Dat was meer dan eene achteloosheid; dat was bijna eene beleediging. De goedhartige Lize had tegenover Regina van dat prettige feestje op het water gezwegen, maar zij moest er door anderen van gehoord hebben en, al sprak zjj er niet over, het had haar toch stellig gekrenkt. Nu zou men gezamenlijk dineeren bij de familie Ditmar, die zich uit den handel teruggetrokken had en nu even buiten de stad aan de rivierzijde eene nieuw gebouwde villa bewoonde. Er was een talrijk gezelschap; nogal jongelieden ook. De aanstaande van George Warens logeerde op een der buitens in de nabuurschap en, zooals vanzelve sprak, was de luitenant onder de genoodigden. Zijn vriend, de commandant van Zr. Ms. kanonneer-

I.Rtig* pen omwejr. "

Sluiten