Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deed om het geroemde heldenfeit tot zijne ware proportie terug te brengen, prees men hem opnieuw om zijn eenvoud en bescheidenheid. Het was niet te ontgaan. Witgensteyn moest zich getroosten als de afgod van het oogenblik te poseeren en zich op elke wijze te laten huldigen. Gelukkg voor hem was hij nuchter genoeg van geest om te berekenen waarop zulke overschatting in den regel uitloopt, en vast besloten, zoodra het doenlijk was, stillekens van het voetstuk af te treden en ter zijde te gaan, opdat niet de armen, die hem zoo hoog tilden, door overspanning vermoeid, hem ter ongelegener ure lieten neervallen in het slijk; maar intusschen betwistte men elkaar zijn bijzijn. Allerlei attenties werden hem bewezen; noodiging volgde op noodiging, en hij achtte zich gelukkig dat zjjn dienstplicht hem het pretext leende om van tijd tot tijd aan ai dien drang te ontkomen en wat rust te winnen om tot zich zeiven in te keeren; een rust, waarnaar menig jongmensch in zijne plaats niet verlangd zoude hebben, maar die hem behoefte was. Eckbert Witgensteyn was iets anders dan een alledaagsche salonheld. Hij had zjjn tijd en zijn hoofd veel te lief om beide te offeren aan hetgeen men gewoon is het gezellig verkeer te noemen, iets arms en ledigs waarvan men maar heel zelden wat thuis brengt dat het bewaren waard is. Hij hield niet van zijn vak, maar hij hield van studie, van lectuur, van oefening, van nadenken over dat alles bovenal; en hij gevoelde zich eer benadeeld dan bevoorrecht door al wat de frivole wereld deed om hem daaraan te onttrekken en hem in haar kring rond te voeren. Had hij kunnen weten welk belang Regina stelde in zijne triomfen en welken indruk zijne houding daaronder op haai maakte, dan zeker zouden ze hem niet zoo koel hebben gelaten, maar zij was de laatste om hem dit te bekennen, vooral na de koelheid waarmee hij terstond hare levendige dankbetuiging had teruggewezen. Toch bracht dit alles haar tot nadenken, tot zelfverwijt. Kon die man het voorwerp zijn van eene verdenking als die zij tegen hem koesterde? Moest zij die niet liever hebben uitgesproken, dan die te voeden en hem bij het eerste weerzien zoo te krenken, dat hij er voor goed genoeg aan had, en mogeljjk in haar zag wat zij wist dat zij niet was: een droog, hardvochtig schepsel, dat trotsch was op haar geld. Hoe was zij er toch toe

Sluiten