Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verrast, maar toch nog vol hoop op eene eindelijke zegepraal, ging hij voort: „Gij zijt schrander en scherpzinnig boven velen, Regina; gij bezit het vermogen om het valsche van het ware te onderscheiden; hoe kan er dan twijfel in u opkomen, of ik de taal der waarheid en der oprechtheid tot u gesproken heb; hoe wendt gij onzekerheid voor omtrent mijn hart, mijn karakter; ik die mij steeds gegeven heb, zooals ik ben ; die nooit heb getracht u door laffe vleitaal te winnen, maar u veeleer heb gekrenkt en verstoord, door u te wijzen op kleine gebreken, die uwe groote eigenschappen verhinderden tot haar recht te komen. Als gij mij door uw mistrouwen hadt gekrenkt, heb ik mij zeiven beheerscht, om met lijdzaamheid uw terugkeer tot betere gevoelens voor mij af te wachten; dat toch zult gij geene geveinsdheid noemen; dat toch kan u niet in verwarring gebracht hebben omtrent mijn aard en gezindheid. Zelve hebt gij het zeker nooit kunnen beseften, Regina, hoeveel gij mjj hebt doen lijden, want dan zoudt gij wreeder en hardvochtiger zijn dan ik meen te weten dat gij zijt, en ik heb dat lijden, die krenkingen, die eb en vloed van uwe gunst en ongunst zwijgend gedragen, niet uit lafheid, omdat ik tegen eene verklaring als die van heden heb opgezien, maar omdat ik altijd hoopte dat gij uit u zelve een eind zoudt maken aan de spanning die er tusschen ons heerschte; dat gij mij ronduit zoudt zeggen waaruit zoo vaak uwe bittere luim tegen mij opwelde; en nu, nü komt gij mij verrassen met de vraag: wat gij in mij zult vinden, alsof niet alle onzekerheid in onze verhouding tegen elkaar van u is uitgegaan? Daarom, maak gij een eind aan die marteling, die mij ondraaglijk is geworden. Spreek het uit, wat er tegen mij in u omgaat, en helder mij op, wat mij onverklaarbaar is; het is nü eene beslissende ure, en ik heb recht van u te vorderen, dat gij die niet verloren laat gaan in onbestemde verwijtingen, die geen licht geven en geen uitkomst."

„Gij hoopt mij te overreden door stout spreken," viel zij in, „maar gij vergist u; op zoo iets heb ik gerekend; ik weet dat gij een uitstekend tooneelspeler zijt, die zonder veel inspanning iedere rol weet op te voeren, welke hij noodig acht. Men heeft u wel eens schertsend voorspeld, dat gij uwe fortuin zoudt kunnen maken als operazanger; mogelijk zal dat talent u nog wel te pas komen, daar

Sluiten