Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loyauteit gelooft, die nooit gefaald heeft waar het eere en kieschheid gold ..

„Dat kan ik u niet zeggen, Eckbert," viel zij hem in de rede op den toon van diep smartelijk verwjjt, of het haar zelve leed was dat zij zóó spreken moest; „want ik kan niet gelooven aan de loyauteit van iemand, die wel degelijk heeft gezondigd tegen hetgeen eervol en ridderlijk mag genoemd worden."

„Regina, Regina!" riep hij uit, in sprekende verontwaardiging den armstoel, waartegen hij leunde, met drift ter zijde schuivend; „neem die woorden terug, want ik ben mij zeiven niet langer meester ... ik mag zulken hoon niet dragen..

„Het is mijne schuld niet, dat gij dien dragen moet. Ik kan niet terugnemen wat ik waarheid acht Of past het een man van eer en loyauteit eene laffe weddenschap aan te gaan met een troep jongelieden van de oppervlakkigste soort, dat hij naar de hand zal staan van de eerste jonge dame de beste, wier fortuin hem ten lokaas strekt! Is het kieschheid, zulk een laaghartig verbond te bezegelen met een gloeienden toost en een ruimen dronk! Ontken nu niet, Eckbert!" ging zij voort, met eene stem die getuigde dat zjj hare drift niet langer kon beheerschen, „want ik zou u den datum kunnen noemen, waarop gij u dus vergeten hebt."

„Daar zit het hem dan!" riep hij uit, bijkans verlicht dat zij eindelijk had uitgesproken wat zij tegen hem had in het harte; maar toch verbleekend bij de gedachte, dat die grieve geen vermeende was, hernam hij zacht en ootmoedig: „Het is waar, Regina, er zijn dergelijke dwaze gesprekken gevoerd onder ons, jongelieden, op zekeren avond in een vroolijk gezelschap, waarbjj iedereen alles uitflapte wat hem in het hoofd kwam om op goedkoope wijze geestig te zijn, en ik heb voor dat oogenblik met den toon van de anderen ingestemd; meer niet, meer waarlijk niet; en ik houd staande, dat daarmee niet tegen eer en loyauteit is gezondigd, al begrijp ik zeer goed hoe uw fijn gevoel van kieschheid er door gekwetst werd. Toch, als gij mij geduldig wilt aanhooren, zijn er nog wel verzachtende omstandigheden te pleiten. Wie de boosaardigheid of de onvoorzichtigheid kan gehad hebben u dat voorgevallene mede te deelen, begrijp ik niet; het moet een van de jongelui zijn geweest; maar dan had de eer-

Sluiten