Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van u vragen ... in den uitersten nood ; maar nu ... nu — is het volstrekt strijdig met mijn plicht."

„Mijn Hemel! wat een overdrijving van nauwgezetheid. Over een week of zes ben ik immers al drie-en-twintig jaar. Wat men schielijk oud wordt! Ik herinner mij nog zoo goed, hoe blij ik was toen ik mijn achttiende had bereikt, en nu snakken wjj er beiden naar, dat ik het achtbare cijfer van 23 zal kunnen schrijven. Maar niet waar? dan ben ik toch vrij om u van mijn vermogen te schenken wat ik wil."

„Of... te leenen," verbeterde hij zonder haar aan te zien.

„Nu dan, te leenen, ook goed,'' hernam zij; „laat ons nu eens onderstellen, dat er reeds op dit oogenblik een sommetje noodig ware om . .. een gat te stoppen ..."

„Een sommetje!" viel hij uit, bijkans met een wanhoopskreet; „bot kan vijftig-, het kan tachtigduizend gulden zijn, die wij binnen drie aagen moeten uitbetalen, als de beurstijdingen uit het buitenland ongunstig voor ons zijn. De onrust, hoe dat loopen zal, maakt mij half suf; al zeggen de anderen ook dat zij er licht in zien — dat er geen kwaad bij is. Ik laat me niet wijsmaken dat onze kas zulke verliezen zal kunnen dragen, en de middelen, waardoor zij zich dan staande meenen te houden, stuiten mij tegen de borst."

„Maar, beste oom, laat toch zulke bekommeringen varen; ik ben immers zoo rijk ... of is het niet waar, dat mijn vader millionnair was ? ..."

„Ja, dat was hij, de gelukkige."

„Zou hij dat geluk niet broederljjk met u hebben willen deelen, als hij nog leefde?"

„Hij zou mjj ten minste helpen, daar ben ik zeker van.

Welnu! dan mag ik toch wel voor u doen, wat hij zou gedaan hebben ?"

„Helaas! eene onmondige."

„Wat dwaasheid! ben ik dan een onmondige naar het verstand? Wat zegt nu die enkele maand meer of minder?"

„Maar de wet, kindlief! de wet; en wat zou uw toeziende voogd er van zeggen ?"

„Ik wil van al die voogdijschap niets meer weten; kan men

Sluiten